[[image:trends.jpg::left:1]]”Door
de opkomst van commerciële radio en televisie, internet en de
snelle internationalisering en commercialisering van mediabedrijven
verandert het medialandschap snel en ingrijpend. Technische
ontwikkelingen verbinden oude nieuwe media en maken bijvoorbeeld
televisie op het internet en radio op de mobiele telefoon mogelijk.”
Aldus een zinsnede uit het persbericht
van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid bij de
aanbieding van een tweetal rapporten aan staatssecretaris voor
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Medy van der Laan. Marketingfacts.nl maakte me eerder vandaag attent op de rapportenrapporten Focus op functies: uitdagingen voor een toekomstbestendig mediabeleid (pdf) en Trends in het medialandschap: vier verkenningen (pdf).
Twee omvangrijke studies die verder voortbouwen op onder meer een eerdere studie van het SCP (zie Media in Nederland: nieuwe media verdrukken de oude).
in het trendsrapport wordt een doorkijkje gegeven naar het toekomstig
gebruik per medium. Op basis van wat vooronderstellingen wordt “een
model geschetst van mogelijk toekomstig mediagebruik in de periode
2000-2050 voor kranten, lezen, tijdschriften lezen (als
hoofdbezigheid), radio luisteren (als hoofd- en nevenbezigheid
samengevoegd), televisiekijken, computergebruik en internetgebruik (als
hoofdbezigheid), voor de bevolking van 12 jaar en ouder (in
deelnamepercentage van het jaar 2000)”.
[[image:mediagebruik.jpg::center:1]]
“We zien in de figuur dat de deelname van de bevolking aan
het lezen van kranten en tijdschriften verder zal dalen. Vooral kranten
kunnen rekenen op een sterk dalende belangstelling. Of de dalingen voor
kranten zich zo sterk zullen manifesteren als in het model gesuggereerd
wordt, hangt vermoedelijk af van de betaalbaarheid voor de jongere
consument en van de ontsluiting van informatie via internet en via
mobiele telefonie. Kranten zullen naar alternatieven moeten zoeken,
omdat de ouderen van de toekomst minder binding hebben met kranten en
tijdschriften. Voor het televisie- en het radiogebruik zijn geen
noemenswaardige veranderingen te voorzien. Bij de tv niet, omdat er
sprake is van een diep verankerd gebruik bij alle generaties; bij de
radio niet, omdat de meeste achteruitgang in het tbo daar niet zit in
de deelname van de bevolking, maar in de tijd die aan het luisteren
besteed wordt.
De sterkste stijgingen zien we optreden bij internetgebruik en
computergebruik. Voor internetgebruik is de curve vrij vlak, omdat hier
nog sterker dan bij computergebruik sprake is van een medium dat zich
binnen het mediagebruik een plaats verwerft. De mate van de stijging in
het gebruik lijkt de komende jaren vooral te worden bepaald door
technologische ontwikkelingen. Op het moment dat de interfaces voor
internettoegang via de mobiele telefoon vereenvoudigd worden en op het
moment dat tv en internet sterker geïntegreerd raken, valt te
verwachten dat het internetgebruik een veel hogere vlucht neemt dan nu
uit het model blijkt. Hetzelfde argument geldt voor de verbreding en
betaalbaarheid van toegangsmogelijkheden via breedband. Het aantal
internetgebruikers met breedbandtoegang groeit snel. Volgens het scp
(2004) werd breedbandinternet begin 2003 door 30 procent van de
huishoudens met internettoegang gebruikt. Aan het eind van 2003 was het
percentage al gestegen tot bijna 44 procent. Onder invloed van deze
ontwikkelingen zit er voorlopig veel rek in de deelname aan internet
onder de bevolking, waardoor het aannemelijk is dat het model een
onderschatting maakt van het toekomstig gebruik.
De toekomstige veranderingen in het mediagebruik zullen in de praktijk niet alleen
sterk beïnvloed worden door technologische ontwikkelingen, maar ook
door marktontwikkelingen, door de wisselwerking tussen vraag en aanbod
en door beleidsinterventies van de overheid. Voorbeelden zijn de
digitalisering, waardoor media als tv en internet samengaan, of
samenwerking/fusies tussen aanbieders van verschillende media, wat nu
wegens wettelijke beperkingen op crossmediaal eigendom niet mogelijk
is. Ondanks dit soort invloeden is het aannemelijk dat trends in het
gebruik naar medium zich zullen ontwikkelen in de richtingen die ons
model aangeeft. Kranten krijgen het steeds moeilijker, tv en radio
zullen vermoedelijk vrij stabiel hun plek blijven innemen, terwijl
computers en internet een steeds grotere plek zullen veroveren. Met
deze trends per medium zijn vooral de brede contouren zichtbaar van
toekomstig mediagebruik.”
Het rapport gaat vervolgens in op de vraag wat de gevolgen van de
technologische ontwikkelingen zijn voor het medialandschap en, daarmee
verbonden, voor het mediabeleid van de
Nederlandse overheid. Daarbij komen de volgende aspecten aan de orde:
- Verruiming en vervaging van begrippen: (…) Op
verschillende niveaus en in verschillende vormen zien we steeds meer
convergentie: verschillende diensten kunnen over dezelfde weg (medium),
dezelfde diensten kunnen over verschillende wegen en eenzelfde bestand
aaninformatie kan aan verschillende dienstencategorieën worden toegedeeld. (…) - Een robuuste trend naar ‘anywhere, anyway, anytime’: (..)
Er ontstaat een wereldwijd informatiesysteem waarbinnen meer en meer op
elke plaats, op elk tijdstip en in elke vorm informatieoverdracht
mogelijk is. (…) Het systeem wordt ‘intelligent’ en krijgt een steeds
groter geheugen waardoor allerlei vormen van interactiviteit en
personalisering mogelijk worden. Het aanbod van informatie neemt in
principe sterk toe en kan in verhouding totvroeger zeer snel worden aangesproken. (…) - Veel ambivalentie: (…) Het verschijnsel ambivalentie
wordt vaak in verband gebracht met onzekerheid: het kan zus en het kan
ook zo. Maar op media- en informatiegebied is ook sprake van een
ambivalentie die vrij zeker, feitelijk en robuust is. Naast
schaalvergroting ook schaalverkleining, naast
internationalisering ook lokalisering, naast evolutionaire elementen
ook revolutionaire, naast kwaliteitswinst ook kwaliteitsverlies, naast
toenemende kwetsbaarheid ook afnemende kwetsbaarheid. Het ligt er maar
aan waar we naar kijken. (…) - Ook veel onzekerheid: (…) Onzekerheid vraagt om een
passende benadering. Zo is bij het benoemen van ‘de’ kernontwikkelingen
op mediagebied enige nederigheid op zijn plaats. De ontwikkelingen zijn
meestal toch weer anders dan eerder gedacht. Internet is door vrijwel
iedere mediadeskundige in eerste instantie gemist. Het begon pas op te
vallen toen het er al was. (…) Het is moeilijk om de nieuwste
ontwikkelingen vroegtijdig naar waarde te schatten. Dit geldt niet
alleen voor ontwikkelingen op informatiegebied. Zo verwachtte men in
1847 nog dat de spoorwegen onmogelijk een grote toekomst konden
krijgen. Het is al lastig om per deelgebied in de toekomst te kijken,
maar écht moeilijk is het om de synergetische verbanden te voorzien
tussen (de ontwikkelingen op) deelgebieden en om de dwarse onverwachte
toepassingen op geheel anderegebieden te voorspellen. Internet heeft veel van die laatste twee. (…) - Vraagzijde in beweging: (…)
Iemand die van jongs af aan is opgegroeid met de pc en internet
zal heel anders tegenover elektronische dienstverlening staan dan
iemand waarvoor dat niet geldt. Ook zullen de relevante vaardigheden
van de eerste groter zijn dan van de laatste. Dit spoort met het oude
gegeven dat informatiestimuli op zeer jonge leeftijd cruciaal zijn voor
de capaciteit om later met bepaalde vormen van informatie om te gaan.Veel diensten die eerder niet aansloegen, komen later soms toch
sluipend totstand. Een voorbeeld is videofoon. Eerder is deze dienst
mislukt, omdat hij duur, imperfect en onhandig was. Nu komt deze dienst, piggy
back-rijdend op andere diensten, via internet wel langzamerhand tot
stand, op natuurlijke wijze en tegen veel minder kosten. Waar vroeger een groot marktaandeel
noodzakelijk was, kan nu vaak worden volstaan met nichevorming. Dit
voorbeeld bewijst weer eens dat we op informatiegebied diensten en systemen niet los van elkaar kunnen zien.Vaak is geconstateerd dat de klant ‘liever dozen dan diensten’
koopt. Terwijl het bestellen van films via de kabel met moeite van de
grond komt, geven consumenten bijvoorbeeld grif geld uit voor de nieuwe
zilveren dvd (Digital Versatile/Video Disk). De dvd-speler heeft
vrijwel alle groeirecords op mediagebied gebroken, sneller dan de videorecorder (3x) en de cd-speler (2x). Via
de kabel of via de dvd: in beide gevallen is eigenlijk sprake van video
on demand. Maar mensen kiezen liever voor het bezit van dvd. Het is een leuk
‘hebbedingetje’, een leuk cadeautje, terwijl ook de kwaliteit een rol
speelt (flexibiliteit, allerhande interactiviteit, geen heen en weer spoelen, archivarische
kwaliteit). Ondanks allerlei mogelijkheden voor nieuwe dienstverlening
op afstand, realtime en interactief, kunnen we ervan uitgaan dat consumenten ook in de
toekomst een grote behoefte zullen kennen aan materiële
informatieproducten. In het verlengde hiervan: soms is ‘hebben’ zelfs belangrijker dan
‘gebruiken’. In de landen waar I-mode een succes is (Korea, Japan,
China (Hongkong)) blijkt het vooral gebruikt te worden voor de aanschaf van een
bioscoopkaartje. Slechts 15% van de consumenten gebruikt de veel
ruimere internetmogelijkheden, terwijl de rest het wel leuk vindt om
die mogelijkheden te ‘hebben’. Hebben is nog niet gebruiken.- Het vroeger zo eenvoudige eenrichtingsverkeer tussen aanbieder
en vrager wordt complexer. Naast allerlei vormen van interactiviteit,
zien we hoe de creatie van content ‘democratiseert’: iedereen maakt
content. Het motto van anywhere, anyway, anytime slaat op het afnemen
van informatie, maar ookop de creatie ervan. (…)
- Mogelijke tekorten in het media-aanbod: gebrek aan
transparantie; betrouwbaarheid minder gewaarborgd en minder goed te
controleren; veiligheid op internet; neutraliteit en belangeloosheid
van informatieverschaffers (bijvoorbeeld zoekmachines op
internet); toegangsproblemen: onjuist evenwicht tussen privacy en
copyright aan de ene kant en toegang en verspreiding van informatie aan
de andere kant; overreactie in bescherming; gebrek aan
gemeenschappelijkheid, cohesie, opbouwen van gemeenschappelijk
geheugen, maatschappelijke archivering; beschikbaarheid van informatie
die eigenlijk verboden is of zou moeten zijn; jeugdbescherming; botsing
van culturen die over deze zaken geheel anders denken; kwetsbaarheid en
toekomstonzekerheid van belangrijke informatiesystemen, waaronder
internet; problemen met de ‘zandloper’; transformatie van een
‘anarchistische’ innovatieve omgeving in een gerestricteerd medium;
verlies aan belangrijke vaardigheden bij mensen door overgang op nieuwe
informatiesystemen; verlies van informatie bij digitalisering en
elektronificatie: bijvoorbeeld verlies van auxiliaire informatie over
de context van een hoofdboodschap. verlies aan kwaliteit bij content,
negatieve invloed van kijk- en clickcijfers, zelfcensuur, gebrek aan
‘zichtbaarheid’; gebrek aan kennis om goed met internet om te kunnen om
te gaan, onvoldoendebewustwording. - Convergentie: (…)
Convergentie doorbreekt de traditionele compartimentering in het beleid
en in verdeling van verantwoordelijkheden. De scheidslijnen tussen
sferen worden doorbroken. Aanbieders vanuit verschillende sectorenkomen elkaar steeds meer tegen. (…) - Tussen toegang en pluriformiteit: (…) De hoeveelheid
informatie neemt toe. Pluriformiteit lijkt in eerste instantie
gewaarborgd. Wat we vooral goed moeten regelen is de toegang tot deze
informatie. Voor velen is dit een van de belangrijkste vraagstukken op
mediagebied. Zowel de belangen van de aanbieder als van de consument
zijn in het geding. De technologie speelt een belangrijke rol. Er zijn
vele technische mogelijkheden om informatie af te schermen, te
manipuleren of te bewerken. Maar tegelijkertijd biedt de techniek ook
vele mogelijkheden om (soms illegaal) informatie teontsluiten en afschermingsmechanismen te ontduiken. (…) - Het zoeken naar een goed ‘businessmodel’: (…) De
commerciële mogelijkheden van internet liggen voorlopig nog bij meer
traditionele activiteiten, zoals kaartverkoop, vliegtickets, aankoop
van materiële goederen, veilingen, etc. Internet is vooral succesvol
als instrument om de ‘zichtbaarheid’ te vergroten en om klanten binnen
te halen. In een ruimer kader bezien zijn die activiteiten wel degelijk
winstgevend. De boodschap is dat internet commercieel gezien vooral een
aanvulling is, en voorlopig minder een zelfstandige entiteit. (…) - Innovatief gebruik van infrastructuren: (…) Innovatie
werkt soms beter in een ‘vrij’ systeem. Internet en het www konden
uitgroeien omdat ze geen ‘last’ hadden van hoog te houden
kwaliteitsstandaards en van bestaande besluitvormingsprocessen. Want
wat zou er zijn gebeurd als internet in de gebruikelijke nationale en
internationale gremia tot stand gebrachthad moeten worden?











Schrijf een reactie