De Wet op Gebruiksvriendelijkheid

5

Door van Dialogic

Print

op dinsdag 24 maart 2009 om 12:00 uur

internetgebruik-goed21Het internetgebruik onder Nederlanders ligt boven de 80% en is daarmee een van de hoogste ter wereld. Het is niet verwonderlijk dat de Nederlandse overheid daar op aanhaakt door steeds meer informatie en diensten online aan te bieden. De aanname is dat het internet een algemeen toegankelijk kanaal is en dat burgers de informatie kunnen vinden en deze diensten kunnen gebruiken. Die aanname is ongegrond.

In de praktijk blijkt dat minder dan de helft van de Nederlanders die thuis toegang tot het internet hebben, effectief gebruik maakt van overheidswebsites. Dat komt vooral omdat de structuur en werking van websites voor veel bezoekers onbegrijpelijk is. De goede informatie wordt niet gevonden en de verkeerde juist wel. Duizenden burgers missen zo informatie en diensten die voor hun van groot belang zouden kunnen zijn of ze nemen uiteindelijk de verkeerde beslissingen op basis van informatie die ze hebben gevonden. Het gaat hier niet alleen om specifieke doelgroepen (zoals mensen met een functiebeperking) maar om burgers in het algemeen.

logo_e_overheid-goed1

Er is voor overheidsorganisaties veel geld gemoeid met de ontwikkeling, bouw en het beheer van websites. Daarom is het interessant om kritisch te bekijken of en hoe die investeringen kunnen worden terugverdiend. Nu zijn slecht ontworpen websites duur in onderhoud en gebruik. Als vorm en inhoud niet consequent gescheiden zijn, is het relatief tijdsintensief (en dus duur) om de inhoud van een website aan te passen. Ook de kosten voor het intern trainen van medewerkers in het gebruik van de site zijn dan hoog.

Daarnaast jagen gebruiksonvriendelijke websites burgers naar andere kanalen (fysieke balie, telefonische helpdesk), die relatief duur zijn ten opzichte van het online kanaal. Tenslotte is er de – zwaar onderschatte – imagoschade die slecht ontworpen websites met zich meebrengen. Hoe mooi een site ook is vormgegeven, als bezoekers uiteindelijk de informatie niet kunnen vinden die ze zoeken of de diensten niet kunnen afnemen die ze willen afnemen, dan zal dat direct het imago van de organisatie beschadigen.

balkenende-goed1

Bij lokale overheden wordt het probleem van gebruiksonvriendelijke websites nog nauwelijks erkend. Er zijn weinig gemeentesecretarissen die zich zorgen maken over het feit dat hun (dure) websites nauwelijks iets opleveren, als ze maar hoog in de Overheid.nl Monitor staan. Ze worden dan ook niet afgerekend op lage bezoekersaantallen, hoge weigeringspercentages of lage conversion rates. Van een slecht imago of brand value liggen ze zeker niet wakker, dat is meer iets voor e-commerce bedrijven. Bij bedrijven is het onderzoek naar het feitelijke (sic!) gebruik van websites al in hoge mate geprofessionaliseerd.

gebruiksvriendelijkheid-goedHet verbeteren van gebruiksvriendelijkheid (usability) van websites is allang geen vrijblijvende onderneming meer. Bij de meeste overheden blijft ‘de gebruiker’ meestal geheel buiten beeld. Aangezien de kosten in overheidsland niet worden gekoppeld aan de opbrengsten, leidt dit niet tot politieke problemen. Bovendien worden de kosten grotendeels doorberekend naar de burgers zelf of naar andere onderdelen van de organisatie.

Het standaard argument is dat de publieke sector heel anders werkt dan de private sector. En dat mag dan allemaal wel zo zijn, maar de investeringen zijn hetzelfde en het belang om gebruikers optimale service te kunnen bieden is net zo groot of misschien wel groter. Bovendien zijn voor burgers de veelbezochte sites uit de private sector (google.nl, startpagina.nl, marktplaats.nl, postbank.nl, nl.bol.com, nu.nl) het referentiekader. Ze verwachten simpelweg dezelfde kwaliteit en gebruiksvriendelijkheid van overheidswebsites.

Exit Webrichtlijnen 2.0

irritatie-goed1Op landelijk niveau begint inmiddels langzamerhand wel het besef door te dringen dat de gebruiksonvriendelijkheid van overheidswebsites een serieus probleem is. Twee belangrijke ijzers in het vuur waren tot nu toe de Webrichtlijnen en de eerder genoemde Monitor. Het grootste nadeel van beide instrumenten is dat ze sterk vanuit de techniek denken. De huidige Webrichtlijnen bijvoorbeeld, richten zich voornamelijk op de toegankelijkheid van websites.

Gebruiksvriendelijkheid en toegankelijkheid zijn echter wel twe  e verschillende onderwerpen. Ze vragen om een geheel andere manier van invoering en het cruciale verschil zit in het uitgangspunt. Voor toegankelijkheid is dat de techniek. Voor gebruiksvriendelijkheid is dat het feitelijk gebruik. Voor een gebruiker maakt het over het algemeen weinig uit welke techniek er wordt toegepast, zolang hij of zij maar op een prettige manier met de website kan werken. So much voor ideologische debatten over het al dan niet gebruiken van I-Frames. En wat betreft de Monitor: een hoge score zegt niets over het gebruikers(on)gemak van de website in kwestie.

De cruciale omschakeling zit in het denken vanuit de gebruiker. Met het programma Begrijpelijke Formulieren heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken al met dat idee geëxperimenteerd. Uitgangspunt is, dat degene die het formulier invult het vertrekpunt van het ontwerp is en niet de wijze, waarop de achterliggende regeling is geformuleerd. Consequente toepassing van dit idee bleek tot een halvering van het aantal invulfouten te leiden en resulteerde in een veel grotere tevredenheid bij de invullers. Het lag voor de hand om hetzelfde principe op overheidswebsites toe te passen. Daarom heeft het ministerie in het najaar van 2008 aan Dialogic gevraagd om te onderzoeken of er (a) algemeen geldige principes zijn voor gebruiksvriendelijkheid en zo ja (b) of de bestaande set van Webrichtlijnen is uit te breiden met richtlijnen die specifiek betrekking hebben op gebruiksvriendelijkheid.

Enter vuistregels 1.0

chatten-goedOm met de algemene principes te beginnen: absolute regel nummer één is om de gebruiker centraal te stellen bij het ontwerpen van gebruiksvriendelijke websites. De grote vraag is hierbij wie nu eigenlijk die gebruiker is. In tegenstelling tot toegankelijkheid, dat ten minste voor een deel samenhangt met een vrij uniforme en onderliggende technologie, is er bij gebruiksvriendelijkheid sprake van een extreme mate van variatie. Elke gebruiker van een website is immers uniek.

De specifieke inhoud, specifieke gebruikersgroep en specifieke context bepalen hoe een informatiesysteem in de praktijk wordt beoordeeld. Hieruit valt regel twee af te leiden: “het hangt er maar vanaf” (‘it depends’). Op basis van deze regel hebben een aantal van de experts gesteld, die we tijdens het onderzoek hebben geraadpleegd, dat het helemaal niet mogelijk is om vuistregels op te stellen die algemeen gelden voor het ontwerpen van gebruiksvriendelijke websites.

expertDit roept natuurlijk meteen de tegenvraag op wat dan het alternatief is. In de huidige situatie speelt de ervaringskennis van experts hierbij een doorslaggevende rol . Toch bestaan rond gebruiksvriendelijkheid geen algemene waarheden. Afhankelijk van de usability expert, die men iets vraagt, krijgt men een ander antwoord. Daar heeft onze arme gemeentesecretaris of beleidsambtenaar niet zoveel aan en daarom hebben we alsnog de uitdaging aangenomen om een set van algemene regels voor gebruiksvriendelijkheid op te stellen.

De manier waarop we de regels hebben geformuleerd wijkt nogal af van de manier waarop de huidige set van Webrichtlijnen is vormgegeven. Ze staan zelfs haaks op die regels. Dat geeft meteen antwoord op de tweede onderzoeksvraag: ze zijn niet te beschouwen als een uitbreiding van de huidige set regels, maar zijn herkenbaar aan de volgende punten:

  • De regels worden niet van bovenaf opgelegd: het is aan de ontwerper van de website om ze, gegeven de specifieke context, al dan niet te toe passen. We spreken daarom ook liever van ‘vuistregels’ dan van ‘richtlijnen’.
  • De vuistregels zijn niet ontworpen op basis van een vast theoretisch kader, maar eerder ‘van onderaf’, op basis van ontwerppatronen (‘design patterns’). Dat zijn patronen die in de praktijk de beste oplossing voor een veelvoorkomend probleem bieden.
  • De vuistregels zijn zoveel mogelijk in termen van doelen (“zorg dat gebruikers nooit vast komen te zitten”) in plaats van middelen (“gebruik nooit frames”) geformuleerd.

Van hoofdprincipe naar design pattern

De basisingrediënten voor de vuistregels zijn verzameld in een uitgebreide literatuurstudie en in conversaties met usability experts. De resultaten van de desk research zijn opgenomen in een publieke wiki, Begrijpelijkewebsites.nl. Na enkele nachten stug doorredeneren is er orde in de grote hoeveelheid informatie gebracht. Uit het kernprincipe “stel de gebruiker centraal” zijn vier hoofdprincipes af te leiden:

  1. Houd bij de ontwikkeling van een website vanaf het begin rekening met de gebruiker
  2. Geef gebruikers maximale vrijheid en controle
  3. Geef gebruikers tijdige en gerichte feedback
  4. Maak het gebruikers zo makkelijk mogelijk

Voorbeeld koppeling vuistregel met design pattern

Voorbeeld koppeling vuistregel met design pattern

Uit deze vier hoofdprincipes zijn vervolgens 29 vuistregels afgeleid. Die zijn tenslotte via een tussenstap waarin iedere vuistregel verder is gespecificeerd (‘oplossingsrichting’) gekoppeld aan één of meerdere (bestaande) design patterns. In een vuistregel en oplossingsrichting staat wat er moet gebeuren om aan een hoofdprincipe te voldoen, in een design pattern staat hoe die vuistregel vervolgens het beste kan worden uitgevoerd. Dit klinkt overigens makkelijker dan het is. In de praktijk bestaat er op het algemene niveau van vuistregels nog wel overeenstemming, maar zodra er op detailniveau man en paard worden genoemd (zoals in de wiki gebeurt), komen er vaak allerlei verschillen van inzicht naar voren (bijvoorbeeld hoeveel gebruikers er minimaal bij een gebruikstest moeten worden betrokken.)

Een hiërarchisch overzicht van alle vuistregels is te vinden op de website www.dialogicusability.nl. Het is, ironisch genoeg, niet de meest gebruiksvriendelijke website, maar voor zover wij weten op dit moment wel een van de meest uitgebreide systematische registers voor design patterns ter wereld.

De Weg Voorwaarts

De belangrijkste uitdaging bij het voeren van een gebruiksvriendelijkheid beleid is ervoor te zorgen dat gebruiksvriendelijke websites ook als zodanig (h)erkend worden. In navolging van Jared Spool en andere usability goeroes, pleiten we ervoor om de nadruk te leggen op het evolutionaire karakter van de ontwikkeling van websites en webtechnologie. Wat goed is komt vanzelf naar boven drijven en wat slecht is verdwijnt na een tijdje ook weer uit beeld.

logovuistDat ‘natuurlijke’ evolutionaire proces kan in hoge mate worden versterkt door de aanleg van een (dynamisch) bestand van goede en slechte voorbeelden. Dit veronderstelt dan wel, dat de kwaliteit van websites met elkaar vergeleken kan worden op een min of meer objectieve manier. De 29 vuistregels voor gebruiksvriendelijkheid geven hopelijk de basis voor een eerste globale selectie. Uiteindelijk bepaalt de gebruiker zelf de kwaliteit van de site en niet de gemeenschap van experts. Met andere woorden: het gaat er om om te bepalen in hoeverre de website de gebruiker in staat stelt zijn of haar doelen te bereiken.

Dat lijkt ingewikkelder dan het is. In de praktijk gaat het om een test met individuele gebruikers die een aantal eenvoudige opdrachten moeten uitoefenen, zoals het zoeken van bepaalde informatie of het voltooien van een bepaalde opdracht. In bijlage 2 van het rapport hebben we, analoog aan De Formulierenwaaier, een eerste opzet van de ‘Gebruikstestwaaier’opgesteld. Hierin staat geschreven hoe een uniforme gebruikstest er uit zou kunnen zien.

Als de testen op een vergelijkbare manier worden uitgevoerd, kunnen de resultaten van de testen onderling worden vergeleken. Dit kan worden gerealiseerd door gebruik te maken van representatieve steekproeven van gebruikers, standaard protocollen en dezelfde set van opdrachten. Op deze manier is het mogelijk om de gebruiksvriendelijkheid van websites op een objectieve manier te beoordelen en te meten.

De resultaten van alle testen – de gestandaardiseerde scores op de uniforme gebruikstest – kunnen bijvoorbeeld in de Monitor worden opgenomen. Zo wordt er een dynamisch bestand van goede en slechte voorbeelden aangelegd. Daarnaast kan er aansluiting worden gevonden bij bestaande initiatieven zoals de Usability Award voor Nederlandse websites. Maar dan moet er wel een aparte subcategorie voor de publieke sector worden gemaakt, anders zal het nog jaren duren voordat websites van overheden worden genomineerd.

Robbin te VeldeRobbin te Velde is senior onderzoeker bij Dialogic. Hij schreef samen met Guido Ongena en Barbera van den Berg het rapport ‘Begrijpelijke websites, Vuistregels en beleidsaanbevelingen voor het verhogen van de gebruiksvriendelijkheid van overheidswebsites.

Meer over deze auteur: profiel, website

  1. HJ op 24 maart 2009 om 13:20 uur

    @”In de praktijk blijkt dat minder dan de helft van de Nederlanders die thuis toegang tot het internet hebben, effectief gebruik maakt van overheidswebsites. Dat komt vooral omdat de structuur en werking van websites voor veel bezoekers onbegrijpelijk is. De goede informatie wordt niet gevonden en de verkeerde juist wel. Duizenden burgers missen zo informatie en diensten die voor hun van groot belang zouden kunnen zijn of ze nemen uiteindelijk de verkeerde beslissingen op basis van informatie die ze hebben gevonden. Het gaat hier niet alleen om specifieke doelgroepen (zoals mensen met een functiebeperking) maar om burgers in het algemeen.”

    Ik vraag me eigenlijk af waar al deze aannames op gefundeerd zijn.

  2. HJ op 24 maart 2009 om 15:25 uur

    Okee, ik zie het al, het staat in dat rapport waarnaa gelinkt wordt. Uitgebreide tests van de UT dus.

  3. Liever een belletje: burger haakt af bij websites gemeente en Rijk | NieuweMedia van blog.nl op 2 april 2009 om 15:39 uur

    [...] Hier een uitstekend artikel van Frankwatching over ‘de wet op gebruiksvriendelijkheid’: een aanrader voor elke beleidsmaker bij de overheid. Lees ook:Californication… Lees ook:Nederlander koopt steeds vaker en meer bij webwinkels Lees ook:Regels en wetten van internet Lees ook:Stem nu! Lees ook:Microsoft verzuipt het monster van Loch Ness Heb jij NieuweMedia.Blog nog steeds niet toegevoegd aan je Google homepage of Reader? Klik hier! [...]

  4. HB op 3 april 2009 om 22:45 uur

    Wat een gebruikers/lezers onvriendelijk stuk. Zeker studerend voor politicus veel woorden, weinig inhoud!
    Geen reclame voor zijn bedrijf Dialogic, vast zo’n rapporten schrijver met als hoofddoel – voor veel geld – veel tekst in vervolgrapportages schrijven, zo blijven de opdrachten binnenkomen! Wollig verhaal had 80% minder gekund!

  5. Gelezen op 4 april 2009 om 15:20 uur

     [ gelezen in A+O Magazine no. 23 - maart 2009 - blz. 12-13 / door Robbin te Velde c.s. Dialogic innovatie & interactie ]

     

    Web 2.0: geen flauwekul voor de toekomstige gemeenten

    Door Ronald Batenburg, Barbera van den Berg, Christiaan Holland, Marijn Plomp en Robbin te Velde

    - Dialogic innovatie & interactie ( A+O magazine 23 • maart 2009 )
    Buzzwords beschrijven ontwikkelingen die al een tijdje te herkennen zijn, maar door een pakkende term plots een golf van belangstelling krijgen. De term Web 2.0 is hiervan een goed voorbeeld. Wie regelmatig gebruikmaakt van verschillende internetsites, kent het fenomeen dat je wordt uitgenodigd te reageren op een artikel, een product of je mening te geven over een bepaald onderwerp. Vaak zitten hier bestaande organisaties achter die op een innovatieve en/of efficiënte manier gebruik willen maken van de gigantische aantallen gebruikers van het internet. Maar omgekeerd ontstaan er ook talloze nieuwe organisaties en initiatieven op het internet, omdat gebruikers daar zelf websites voor interactie en samenwerking oprichten. Web 2.0 geeft een verzamelnaam aan het fenomeen dat de standaard internetgebruiker niet alleen informatie zoekt en leest, maar het internet ook steeds vaker zelf beschrijft en voor allerlei doeleinden mobiliseert.

    Waarom gemeenten rekening moeten houden met Web 2.0: de veranderende burger

    De meeste burgers en bedrijven zijn internetgebruikers. Wanneer hun informatiebehoefte, kennis, houding en gedrag (kortom, hun hele profiel) door ontwikkelingen zoals Web 2.0 veranderen, dan veranderen allereerst de vragen die op de gemeentelijke organisatie afkomen. Naarmate meer informatie voor burgers en bedrijven op de gemeentelijke website staan, zullen de vragen die na lezing hiervan overblijven waarschijnlijk van meer omplexe aard zijn. Dat kan dan vervolgens door de front office worden opgevangen, maar ook zal steeds meer behoefte ontstaan aan het online stellen van vragen. Hiertoe zijn ‘intelligente’ of chat-gebaseerde webtoepassingen nodig die gebruikers helpen in het aanvragen van de juiste (deel)informatie, het doorverwijzen van formulieren, het doorlopen van procedures, et cetera. Als voorbeeld kan dienen een website waarop een burger zijn/haar dakkapel volledig binnen de (voor hem/haar) toegestane richtlijnen kan ontwerpen, in zeer korte tijd een vergunning voor dit ontwerp ontvangt en dit ontwerp bovendien direct kan gebruiken voor communicatie met de betreffende aannemer. Ten tweede laat Web 2.0 zien dat de positie van burgers en bedrijven als stakeholder verandert. Deze organiseren zich in toenemende mate via het internet om gemeentelijke aangelegenheden te bediscussiëren en/of aan de orde te stellen. Bovendien zijn zij door de (digitale) publicatie van steeds meer beleidsinformatie (bijvoorbeeld raadsinformatie) steeds beter geïnformeerd. Gemeenten kunnen deze nieuwe media-uitingen negeren, maar ook gebruikmaken van deze nieuwe digitale voelsprieten in de lokale samenleving. Naast de ‘beroepsklager’ biedt het zicht op wat burgers kennelijk beweegt, waarbij bezoekaantallen en reacties ook nog eens aardige kwantitatieve indicatoren bieden voor hoe serieus en breed deze digitale volksinitiatieven zijn. Als voorbeeld kan de portal http://www.buurtlink.nl dienen, maar ook een website die speciaal is opgericht om de problemen rondom de koopgoot in Rotterdam aan de orde te stellen.

    Waarom gemeenten rekening met moeten houden Web 2.0: de veranderende ambtenaar

    Daarnaast zijn ook de meeste gemeenteambtenaren internetgebruikers. Ook hun houding, kennis, competentie en vaardigheden (kortom, hun hele profiel) veranderen door ontwikkelingen als Web 2.0. Zo zien we al raadsleden, wethouders en burgemeesters steeds vaker het internet als aanvullend medium gebruiken. Dat heeft positieve aspecten in termen van openheid, maar kan ook andere kanten hebben wanneer media en burgers dit eenzijdig aangrijpen om hun onvrede te uiten en de kloof tussen burger en (lokale) politiek te vergroten. Wellicht belangrijker is dat met name de nieuw instromende gemeenteambtenaren meer dan gemiddeld ‘webwijs’ zijn. Zij zullen van binnenuit de gemeentelijke organisatie de behoefte hebben om via webapplicaties intern en extern te communiceren, ideeën uit te wisselen en samen te werken. Daarbij zullen nieuwe medewerkers meer geneigd zijn om over afdelingen en hiërarchieën heen te communiceren. Bovendien zullen zij meer dan gemiddeld de houding hebben dat de gemeente op een wijze met de buitenwereld dient te communiceren die aansluit bij de Web 2.0-gerichte toepassingen zoals hierboven beschreven. Het gemeentelijke) intranet kan hiervoor (wat betreft de interne organisatie) het geschikte platform bieden, maar de readiness van gemeenten laat in dit opzicht nog te wensen over. Er is nog weinig casusmateriaal hierover beschikbaar, maar wel is uit studies in het buitenland bekend dat jonge werknemers binnen gemeenten beperkingen ervaren in digitale kennisuitwisseling en het vormen communities. Dit hoeven geen sociale netwerken te zijn á la LinkedIn of Facebook, maar wel informatieve en interactieve intranetsites. Uit tal van studies op het terrein van kennismanagement blijkt evenwel dat kennisuitwisseling binnen organisaties een complexe aangelegenheid is. Ook al is er een (intern) systeem beschikbaar om kennis te publiceren, delen en uit te wisselen, dan nog hangt het primair van de collectieve bereidheid van medewerkers af of ‘op Web 2.0-gebaseerd kennismanagement’ echt van de grond komt.

    Web 2.0 = de gemeenteambtenaar 2.0?

    Over de tendens en inhoud van het bovenstaande is reeds veel geschreven in het boek en op de portal ‘Ambtenaar 2.0. Nieuwe ideeën en praktische tips om te werken in overheid 2.0’ (www.ambtenaar20.nl), opgesteld door Davied van Berlo. Daarin wordt het nieuwe werken van ambtenaren verder uiteengezet in termen van flexibiliteit, kennis delen (intern en extern), samenwerken (intern en extern) en community-vorming/ netwerken. Het is aan te bevelen deze inzichten nog specifieker te vertalen naar de praktijk van gemeenten en gemeenteambtenaren. Daarnaast zijn, geheel indachtig het principe van Web 2.0, de volgende interactieve en participatieve websites voor de ‘gemeenteambtenaar 2.0’ aan te bevelen: 
    http://www.ambtenaarvandetoekomst.nl
    http://www.eparticipatie.nl
    http://www.egovcommunity.org
    http://www.guus.net
    http://jannonline.ning.com
    http://overheid20.ning.com
    ( Zie ook: http://www.aeno.nl/fileadmin/Algemeen/A_O_magazine/A%2BO%20magazine%2023-3.pdf  )
    Bron:
    http://www.dialogic.nl/modules/cms/item01.aspx?catId=190&ItemId=466
    http://www.dialogic.nl/

Schrijf een reactie


Opmaak uitschakelen