De geaccepteerde elektronische leeromgeving

  • Leestijd: 5 minuten

Al tijden vraag ik me af waarom de implementatie van Elektronische Leeromgevingen (ELO) bij de ene school wel lukt en bij de andere niet, terwijl ze beide gebruik maken van dezelfde producten. Tijdens mijn onderzoek heb ik gesproken met docenten, informatiemanagers, leveranciers en deskundigen. Daarnaast heb ik een literatuurstudie gedaan. Mijn bevindingen vind je in dit artikel.

ICT in het onderwijs

Net als bij andere organisaties heeft ICT ook in het onderwijs de laatste tien jaar een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van dienstverlening. Digitale schoolborden, elektronische leeromgevingen (ELO’s), podcasting, online toepassingen en digitale lesmaterialen hebben hun intrede gedaan. Het laatste decennia is er binnen het onderwijs grof geïnvesteerd in (infrastructurele) ICT-voorzieningen. De omvang van computervoorzieningen op scholen is in een periode van 20 jaar ongeveer 15 keer zo groot geworden.

De investeringen in ICT vonden vooral door management en overheid plaats. Docenten hebben hierdoor het gevoel gekregen dat ICT-middelen aan hen zijn opgedrongen. Waarschijnlijk zijn onderwijzers om die reden niet massaal aan de slag gegaan met ICT. De laatste jaren is de overheid dan ook voorzichtiger geworden met hun investeringen in ICT voor het onderwijs. Ze investeert momenteel vooral in de innovatie van het onderwijsproces (bijv. competentiegericht onderwijs). ICT kan hierbij ondersteunen.

computerindeklasEen ander bekend verschijnsel is het verschil in beleving. Jongeren zijn vaak veel vaardiger met ICT dan hun docent. Internet speelt een belangrijke rol in hun leven. Voor de meeste is het zelfs een onderdeel van hun levensstijl. Hun sociale leven verloopt voor een groot gedeelte via het web, MSN en Skype. Onderwijzers zien daarentegen het internet vooral als technisch systeem. Het is voor hun gevoel een grote bibliotheek, maar ze zijn niet sociaal actief op het internet. Er is een duidelijk verschil tussen beleving van docenten en studenten wanneer het gaat om ICT. Elektronische leeromgevingen zijn hier een goed voorbeeld van.

Wat is nu precies een elektronische leeromgeving?

De term elektronische leeromgeving wordt in het onderwijs te pas en te onpas gebruikt. Hierdoor ontstaan veel verwarring en vinden velen het inmiddels een vervuilde en beladen term. Toch is het mogelijk een goede omschrijving te maken van een elektronische leeromgeving. Wanneer we het woord leeromgeving loskoppelen wordt het een stuk gemakkelijker. Een leeromgeving is het geheel van faciliteiten, materialen en begeleiding waarvan de student gebruik kan maken ter ondersteuning van zijn leerproces. Wanneer we spreken over digitale faciliteiten, materialen en begeleiding spreken we over een elektronische leeromgeving.

Daarnaast vindt het leren ook plaats buiten school. Internet speelt daarbij een belangrijke rol. Denk hierbij onder andere aan Hyves, MSN en Second life. De elektronische leeromgeving is dus ook veel breder dan alleen de school. Docenten moeten leren hierop in te spelen.

De geportaliseerde ELO aangeboden door een school

Klassieke elektronische leeromgevingen zoals Blackboard, TeleTOP en N@tschool hebben het moeilijk. Elk kant en klaar pakket is gemaakt volgens een specifieke onderwijskundige filosofie van de leverancier. De leverancier focust daarbij op specifieke onderdelen die het grootste raakvlak hebben met zijn filosofie. De één richt zich meer op het roostersysteem en de andere weer op het portfolio-, of leercontentmanagementsysteem. Het is dus te verklaren dat het ene pakket beter te implementeren is in een bepaalde onderwijssituatie dan een ander pakket. De filosofie van de ELO-leverancier moet daarom passen bij die van een school, anders heeft het project weinig kans van slagen.

portalTegenwoordig gaan scholen steeds meer experimenteren met portalsystemen. Denk hierbij aan Microsoft Sharepoint, maar ook aan Netvibes en iGoogle. Deze systemen kan je het beste vergelijken met een lege blokkendoos die een docent en leerling zelf kunnen vullen. De school bepaalt welke blokken er beschikbaar zijn en wie er wat mee mag doen. De elektronische leeromgeving wordt op deze manier een dynamische leeromgeving die door gebruiker aangepast kan worden aan zijn eigen wensen.

Portals worden ook steeds populairder omdat er de laatste tien jaar diverse technieken en principes zijn ontwikkeld en afspraken zijn gemaakt over de inrichting van portals. Uitwisselbaarheid van informatie tussen scholen, educatieve uitgevers en schoolgerelateerde organisaties was hierbij kritische succesfactor.

Door de bovenstaande ontwikkelingen ontstaat er een steeds groter draagvlak bij docenten en leerlingen. Ze gaan steeds vaker aan de slag met hun elektronische leeromgeving.

Wat komt er kijken bij het ontwikkelen van een (geportaliseerde) online leeromgeving?

Nu we weten wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot elektronische leeromgevingen kunnen we kijken naar de beste manier om een elektronische leeromgeving te implementeren. Hieronder beschrijf ik de belangrijkste aandachtsgebieden.

Ontwerpen vanuit een onderwijskundige pull

Onderwijsprocessen zijn, net als werkprocessen, niet in alle organisaties gelijk. Afhankelijk van de didactische aanpak, docenten, school, leerlingen, ervaringen met ICT en andere omgevingsfactoren worden onderwijsprocessen ontwikkeld. ICT wordt dus steeds anders ingezet. Een specifieke aanpak per school, onderwijseenheid of leerling is noodzakelijk. Het keuzetraject van een elektronische leeromgeving moet starten met de inventarisatie van de processen en de onderwijsprincipes van een school. Daarna kan pas bepaald worden welke informatiekanalen en ICT-middelen noodzakelijk zijn om de elektronische leeromgeving succesvol te maken.

Juiste softwarekeuze

In de praktijk ziet men dat er twee oriëntatiemogelijkheden zijn wat betreft gebruik van software op scholen. Ten eerste kan een school vooral redeneren vanuit hun leercontent. Zij geven de voorkeur aan educatieve applicaties, online lesmaterialen en documentmanagementsystemen. Andere scholen redeneren meer vanuit hun onderwijsactiviteiten. Deze scholen maken meer gebruik van softwarepakketten zoals collaboration software, roosterapplicaties en e-portfoliosystemen. Het is dus belangrijk te weten welke oriëntatie op een school de overhand heeft. Een school kan het best eerst tijd investeren in software die past bij zijn oriëntatie. Dit maakt de acceptatie door docenten in de startfase een stuk eenvoudiger.

Implementatiemanagement

Goed implementatiemanagement is veel waardevoller dan meeste scholen denken. Gedurende het traject moet er draagkracht ontstaan bij de diverse eindgebruikers.

Uit diverse onderzoeken blijkt dat diverse generaties een andere benadering nodig hebben wanneer het om veranderen gaat. Ze hebben allemaal een eigen ICT-beleving en een andere manier van leren. Binnen het implementatieplan moet dus goed nagedacht worden over hoe men met de diverse doelgroepen gaat communiceren en hoe de diverse trainings- en coachingsprogramma’s vormgegeven gaan worden.

Het implementatietraject van nieuwe ICT-middelen op scholen verloopt meestal in drie fases. De pioniersfase, de schoolbrede planmatige implementatie en de integratie. Een implementatiemanager moet in de gaten hebben dat elke fase beleefd wordt als een hype. Een hype start vaak met een overdreven enthousiasme bij de introductie van een nieuw product, maar na dit enthousiasme kan het omslaan naar desillusie wanneer er realistischer naar het nieuwe product gekeken wordt. Desillusie kan voor een gedeelte worden weggenomen door goed gepland implementatietraject. Wanneer de drie eerder genoemde fases elkaar direct opvolgen of elkaar voor een gedeelte overlappen wordt het gevoel van desillusie een stuk minder en de kans van slagen groter.

Managementbeslissingen

blokkendoosIn dit artikel heb je kunnen lezen dat een elektronische leeromgeving anno 2009 het best vormgegeven kan worden als een soort blokkendoos. Bekende oplossingen zijn Microsoft Sharepoint, Netvibes en iGoogle. In de toekomst zullen er zeker producten bijkomen. Portals kunnen gevuld worden met diverse functionaliteiten. Een school kan bepalen welke functionaliteiten hij beschikbaar stelt aan zijn gebruikers. Door de flexibiliteit van deze systemen kunnen docenten en studenten hun eigen leeromgeving vormgeven. Dit verhoogt de participatie en acceptatie door de eindgebruikers op termijn.

Het vormgeven van portals kost tijd. Voordat een systeem gemaakt kan worden moet er eerst diverse analyses gemaakt worden. Door deze analyses kan goed bepaald worden wat er precies gemaakt moet worden. Tevens moet er voldoende tijd vrijgemaakt worden voor goed implementatiemanagement en training en coaching van eindgebruikers.

Verder is de keuze van een goede leverancier ook van cruciaal belang. Heeft de gekozen leverancier affiniteit met het onderwijs, is deze ervaren met het maken van portals en beheerst hij de diverse uitwisselingsstandaarden en -technieken? Allemaal belangrijke keuzes die door het schoolmanagement gemaakt dienen te worden.

Deze aanpak lijkt in eerste instantie veel tijd te kosten, maar op termijn verdient het zich dubbel en dwars terug.
Je kunt het volledige onderzoek hier lezen