Columns

Like a Rolling Stone in Ahoy

  • Leestijd: 2 minuten

Het is genoegzaam bekend. Een band verdient niet al te veel meer aan de verkoop van veel te dure dragers als cd’s of voorheen elpees. De prijs die de koper betaalt voor digitale nummers op iTunes begint op een redelijke te lijken, nog redelijker lijkt het om luistergeld te betalen. Een vast bedrag per maand, zoals Spotify doet bijvoorbeeld. Het proletarisch model tenslotte is nog steeds erg populair. Dat moet ook zo zijn, het hoort bij een volwassen markt.

Cruciale rol

Het gevolg van dit alles is dat bands minder verdienen aan de verkoop van opgenomen muziek, en zich meer moeten richten op optredens in cafés, zaaltjes, openluchttheaters of poppodia. Daar komen de echte fans en worden de nieuwe gemaakt. Met andere woorden, in de nieuwe keten spelen live podia voor bands een cruciale rol. Dat kun je goed nieuws noemen maar het wordt slecht nieuws als de macht in deze keten te sterk komt te liggen bij de uitbaters van dergelijke podia.

Het was vorige week donderdag, het was in Rotterdam, en het was een veelbelovend programma: Mark Knopfler zou spelen en na hem de koning aller koningen, de zeventigjarige legende, de man die een volstrekt eigen invulling gaf aan het begrip ‘zingen’: Bob Dylan. De locatie: Ahoy. Het kaartje: 75 euro. Ruim op tijd rijden we richting het parkeerterrein.

Levensgroot wordt het eigentijdse karakter van Ahoy met een lichtreclame benadrukt: ze zitten op Facebook, twitteren zich een slag in de rondte, en ondertussen vraagt de man bij de slagboom achteloos het parkeergeld van 12 euro. Mark Knopfler (ex-Dire Straits) speelde braaf en foutloos. En toen kwam Dylan met zijn band. Hij opende met Leopard-Skin Pill-Box Hat. Ik kende het nummer niet, ken het nog steeds niet.

Ik stond ergens in het midden van de immense vloer, begane grond. Het podium in de verte was nauwelijks verhoogd. Er waren geen videoschermen. Als ik al iets zag was het een hoofd. Ik heb de eerste vijf minuten naar de verkeerde Dylan gekeken, in een klein gaatje tussen twee lange fans met hoed vlak voor me.

Arrogante fout

De akoestiek gunde een gulle galmklank aan de muziek. Vijf kwartier later wordt na de eerste tien maten duidelijk dat Like a Rolling Stone werd ingezet, de afsluiting. Dat is het mooie van Bob, geen uitvoering van een nummer is hetzelfde. Het concert moet prachtig zijn, maar het komt niet bij me binnen. Morgen zal ik in de NRC en Volkskrant lezen dat het een unieke avond was (NRC: “Dylan brengt zijn klassiekers terug tot hun abstracte essentie”, VK: “Dylan bijzonder goed op dreef”).

Ik las dat het Dylan was die orgel speelde. Ik las dat Dylan zichtbaar plezier had in het optreden. Niets van gezien, in die klerezaal. Door dit soort vernederingen gaan we weer met z’n allen aan de jatterij. Het Ahoy van nu maakt dezelfde arrogante fout als de platenbaas van toen; ze denken dat ze de macht in de keten hebben maar ze vergissen zich in de vindingrijkheid van de echte liefhebbers.

Deze column werd eveneens gepubliceerd in Het Financieele Dagblad.