ai marketing mastercourse

Meer interactie in je trainingen? Zo pak je dat aan [5 leerpunten]

Meer interactie in je trainingen? Zo pak je dat aan [5 leerpunten]

Geef je een training, laat het dan geen eenzijdige spreekbeurt worden. Deelnemers worden moe, passief en ongeïnspireerd als er geen interactie is. Hoe ga je om met interactie? Vijf leerpunten.

Iedereen die wel eens een training geeft weet dat interactie een training leuk, afwisselend en leerzaam maakt. Maar hoe til je als trainer de interactie naar een hoger niveau met  heldere interactiedoelen, slimme vragen en nuttige werkvormen? Daarover schreef Arie Speksnijder het boek ‘Grip op interactie’ (affiliate). In dit artikel lees je de belangrijkste inzichten.

1. Deel de ruimte slim in

Hoe zet je de deelnemers neer in het lokaal of de zaal? Die vraag vergeten trainers nogal eens, terwijl die opstelling enorm kan bijdragen aan de interactie. Laat je dus niet blind leiden door hoe de stoelen en tafels staan wanneer jijde ruimte instapt. De boel verschuiven kan altijd.

Staan de tafels achter elkaar op rijtjes, zoals bij een hoorcollege? Dan is de kans groot dat mensen meteen in de ‘luisterstand’ gaan zitten. De kans op interactie neemt dan meteen af. Een u-vorm nodigt al een stuk meer uit. Steeds vaker gebruik ik zelf als trainer ook de vorm waarbij je veelvoorkomende uitdagingen of angsten op A4’tjes schrijft en verdeelt over de ruimte.

Vervolgens vraag je aan de cursisten om bij de uitdaging te gaan staan die hen het meest bezighoudt. Zo krijg jij een beeld van hun wensen, maar zij zien ook meteen welke overeenkomsten er zijn tussen de deelnemers. Daarna begin je een gesprek over de keuzes.

Durf ook tijdens de training een aantal andere opstellingen te introduceren. Laat de deelnemers bij sommige oefeningen bijvoorbeeld hun tafels tegen elkaar schuiven, zodat ze meteen in groepjes zitten. Vergeet ook niet dat bij mooi weer bepaalde oefeningen ook prima in de buitenlucht kunnen plaatsvinden.

Een frisse neus brengt frisse ideeën. En als je samen naar buiten loopt, ontstaan er sowieso al korte gesprekjes onderling. Daar heb je de eerste interactie al meteen te pakken, zelfs al voordat je buiten-oefening begint.

2. Stel de juiste vragen

De simpelste vorm van interactie in een training is simpelweg vragen stellen. Maar zorg wel dat je de juiste vragen stelt op de juiste momenten. Wissel feitvragen en denkvragen af. Stel, je hebt de deelnemers net wat modellen of werkwijzen uitgelegd.

Begin dan met een feitvraag, zeg maar een quizvraag die de kennis die ze net hebben opgedaan, herhaalt. Bijvoorbeeld ‘Welke drie manieren zijn er?’ of (na een oefening): ‘Welke van deze manieren heb je gebruikt, en hoe?’

Daarna is het goed om doordenkvragen te stellen, zoals ‘Welke positieve ervaringen heb je met deze werkwijze?’. Op die manier herhaal je eerst kort de theorie en verzamel je daarna herkenbare en inspirerende voorbeelden.

Die voorbeelden zullen dan weer gespreksstof opleveren of vragen oproepen, waarmee je meerdere vliegen in één klap slaat. Het bewijst bovenal dat de cross-over naar de praktijk van de cursisten snel gemaakt is. Sla die brug.

3. Gebruik interactieve werkvormen

Ken je 1-2-4-all al? Bij die manier van ervaringen of ideeën delen bouw je een stelselmatig aan het vertrouwen tussen de deelnemers. Dat gebeurt op basis van een vraag die jij als trainer hebt gesteld.

Eerst laat je iedereen solo ideeën opschrijven (1 minuut), daarna laat je iedereen deze ideeën delen met z’n buur (2 minuten). Daarna voeg je alle duo’s samen tot viertallen.

De deelnemers delen de ideeën, vullen elkaar aan, benoemen de overeenkomsten en verschillen (4 minuten). Tot slot laat je iemand van de viertallen aan de hele groep kort presenteren wat de uitkomsten waren.

Rollenspellen kunnen ook goed werken: het naspelen van een gesprek of situatie uit de praktijk. Maar wees je bewust dat er mensen zijn die rollespelen extreem spannend en moeilijk vinden. Niet iedereen kan zomaar een rol aannemen en een acteerprestatie neerzetten.

Ik ken mensen die daar heel hard op afknappen, en zelfs een training zouden skippen als ze vooraf wisten dat daar rollenspellen in voorkwamen. Tip: kondig het aan in het voorgesprek en kijk of alle deelnemers hier oké mee zijn. Zo niet: niet doen.

Ben je ook zo uitgekeken op het standaard-voorstelrondje tijdens een training? Doe daar dan eens iets anders mee. Stuur de inhoud door zelf enkele creatieve vragen te introduceren. Pak er bijvoorbeeld een Kletspot bij (een glazen pot vol papiertjes waar originele persoonlijke vragen of gespreksstarters staan).

Of laat de deelnemers in tweetallen kort kennismaken, waarna je de één de ander laat voorstellen aan de groep. Alle onverwachte interactie die je in het voorstel rondje aanboort, zal een positieve invloed hebben op de onderlinge connecties gedurende de rest van de dag.

4. Houd de groep betrokken

Spontane gesprekken tussen deelnemers zijn zeer welkom. Het zijn de momenten waarop ze ervaringen of meningen delen. Toch heb jij als trainer natuurlijk een programma, waarin je de beloofde stof en inzichten wil delen.

Kap die spontane gesprekken daarom niet te snel of te bot af. Maar probeer de inhoud die je ervan meekrijgt, te verwerken in je terugkeer naar de lesstof. ‘Ah, jullie hebben het over gesprekstechnieken. Daar ga ik graag nog wat dieper op in.’

Hoe zorg je dat je de aandacht terugkrijgt? Kies allereerst een centrale positie in de ruimte. Vanuit daar zal het eerder lukken. Laat met je lijf zien dat je de aandacht wil: maak oogcontact met de deelnemers, hef je hand op of spreek een korte zin uit waarin je duidelijk maakt dat je verder wil gaan.

Beloon de cursisten die stoppen met praten en op jou gericht zijn met een vriendelijk knikje of ‘dankjewel’. En dan een belangrijke: ga pas verder met je inhoud zodra iedereen weer ‘bij de les’ is. Anders wordt dat begin rommelig en zul je zien dat veel mensen de eerste inhoud niet meekrijgen.

5. Ga slim om met lastige deelnemers

Tja, en dan heb je nog de lastige deelnemers. Bijvoorbeeld iemand die praatgraag is of lang van stof, dat de rest van de groep nauwelijks ruimte voelt om hun ervaringen te delen. Het kan ook iemand zijn die superkritisch of knorrig is, waardoor de positieve energie langzaam wegsijpelt uit jouw training. Dat moet je niet willen.

Belangrijk om te onthouden: elke spreker heeft goede bedoelingen. Graag zijn de makkelijke praters ervan overtuigd dat ze anderen helpen door over zichzelf te vertellen. De criticasters willen graag de scherpte in de training houden, zodat je niet afzakt naar een happy-go-lucky eenheidsworst.

Op zichzelf geen slechte ingevingen. Maar de kans dat ze jouw cadans en doeltreffendheid van je training verstoren, is groot.

Werk in drie stappen: stop, waardeer en focus

Stop

Allereerst moet je de prater afremmen. Geef dus een stopsignaal. Dat hoeft geen lompe opgeheven hand zijn of een time-out-teken te zijn. Vaak is het al genoeg om op het puntje van je stoel te gaan zitten en iets naar voren te buigen. Of als je staat: een stap naar voren zetten of met je hand een subtiel stopgebaar te geven. ‘Wacht even’ of ‘Daar wil ik kort op reageren’ zijn quotes die ook helpen.

Onthoud dat zulke ingrepen horen bij jouw rol als trainer. Jij bent de persoon die mag, ja zelfs moet ingrijpen. De rest van de groep zal het meestal niet doen. En als ze het wel doen, dan is dat het bewijs dat jij als trainer te laat hebt ingegrepen.

Waardeer

Zodra de spraakzame deelnemer is gestopt met praten of een ademteug neemt voor de volgende zin, toon je erkenning voor diens bijdrage. Zeg bijvoorbeeld ‘Dank voor het delen’ of geef een ultrakorte samenvatting van de boodschap.

Een compliment kan ook, hoewel je daarmee soms iemand aanmoedigt om vaker van zich te laten horen. Dus: voeg de hulde samen met een correctie. Zoals: ‘Dank voor je enthousiasme, maar ik wil nu even de anderen het woord geven.’

Focus

Je verschuift je focus van deze ene persoon naar de groep en noemt welk onderdeel jullie nu gaan behandelen of welk leerpunt iedereen hieruit kan trekken. O ja, en stel dat de deelnemer van praatgraag naar praatziek gaat of de kritiek vervelend wordt, durf dan ook garde feedback te geven.

Maar doe dat vooral één-op-één en niet in de groep. Desnoods las je acuut een korte pauze in. De groep zal begrijpen dat je die stap zet om de sfeer goed te houden of een dreigend probleem op te lossen.

Van interactie tot onverwachte uitdagingen

grip op interactie boek

Kortom, ben je trainer, heb dan het lef om je stem te laten horen, je gebaren te laten zien en de deelnemers betrokken te houden. ‘Interactie maakt een training leuk, afwisselend en leerzaam.

De deelnemers genieten van de training en ze leren van gesprekken met de trainer en elkaar’, zo zegt Speksnijder op de achterflap van ‘Grip op Interactie’ (affiliate).

Hij geeft goede handvatten voor de aanpak, niet alleen voor de rooskleurige situaties. Het boek schets de opbouw van interactie tot en met het aangaan van onverwachte uitdagingen.