Waar staat je organisatie? Maturiteit en de participatieladder

5

Door van TNO en van Oogst

Print

op donderdag 2 september 2010 om 08:00 uur

LadderDit tweede artikel in de reeks ‘Bepaal je online co-creatie of eParticipatiestrategie’ gaat in op de maturiteit (rijpheid) van een organisatie en community: het eerste onderdeel van het beslismodel voor online participatiestrategieën. Hiermee kunnen organisaties bepalen hoe zij eParticipatie en (online) co-creatie op een effectieve manier kunnen inzetten. We zijn daarbij benieuwd hoe jullie dit model zouden gebruiken en kunnen aanvullen!

Hoe een organisatie succesvol gebruik kan maken van eParticipatie en user empowerment (consumenten en burgers die zelf initiatieven starten) en wat de impact is voor een organisatie, daarover is weinig bekend. Een ‘traditionele’ cultuur, gebrek aan inzicht en angst voor het onbekende, staan nieuwe initiatieven vaak in de weg. TNO is daarom een onderzoek gestart om strategieën voor, en de waarde van, organisatiegestuurde eParticipatie en user empowerment te bepalen. Samen met markt- en overheidsorganisaties ontwikkelt TNO een beslismodel waarmee organisaties succesvolle eParticipatiestrategieën kunnen vaststellen.

maturity model

Beslismodel in 4 onderdelen voor het bepalen van de juiste co-creatie en eParticipatiestrategie, met daarin aandacht voor het onderdeel maturiteit.

Waar wil je als organisatie staan op eParticipatieladder?

ladderIs je organisatie geschikt voor eParticipatie? En indien je het al doet, waar sta je op de ladder? Waar zou je willen staan? De huidige plek op de ladder wordt bepaald door de mate van ervaring en adoptie; in welke mate is er nu al dialoog met doelgroepen of de massa en welk deel van de organisatie speelt hierin een rol? De doelstellingen en strategie van de organisatie zijn bepalend voor de gewenste plek op de ladder. Dit doel verschilt uiteraard sterk per type organisatie; niet elke organisatie zal online participatie in zijn strategie opnemen. Organisatiecultuur, processen en management zijn belangrijke indicatoren om te bepalen hoe goed online participatie past bij de organisatie en om te weten welke verandering de organisatie zal moeten ondergaan om er meer succes mee te bereiken.

Hoewel er ook participatieladders zijn voor overheden, bedoelen wij de betekenis van de ladder hier anders, en wel als metafoor voor de maturiteitsstappen die bepalend zijn voor de adoptie van eParticipatie bij enerzijds de organisatie en anderzijds de community.

In eerdere artikelen (zoals transformatie van co-creatie) zijn verschillende bestaande modellen genoemd die gebruikt zijn om meer inzicht in de geschiktheid en volwassenheid van organisaties voor eParticipatie te bepalen. Op basis hiervan is een maturiteitsmodel ontwikkeld, dat hier besproken wordt.

Maturiteitsmodel voor eParticipatie

maturityladderHet maturiteitsmodel geeft inzicht in:

  • de plek waar de organisatie staat op maturiteit (o.a. adoptie en ervaring);
  • de plek waar de organisatie graag wil staan (op aspecten als cultuur, management en technologie);
  • de aspecten die veranderd moeten worden om de volgende stap te bereiken.

Let op:

  • Het model bestaat uit logische stappen, een grote stap van fase 2 naar 4 is af te raden. Elke stap is iets dat in je organisatie moet slijten.
  • Het model impliceert niet dat alle organisaties fase 4 moeten bereiken; dit verschilt per organisatie.
  • Het model stelt ook niet dat alle aspecten op hetzelfde niveau moeten zijn. Zo kan een organisatie ver vooruitlopen op technologisch vlak, maar een cultuur hebben die hierop achterblijft.

Adoptieschaal

schaal

Deze figuur toont de eigenschappen (vrij vertaald uit het model) van de organisatie per stap op de eParticipatieschaal. Het model is bewust hanteerbaar gehouden met deze beperkte set van stappen; in de praktijk zal het een geleidende schaal zijn.

  • Fase 1 is de observatiefase waarin een organisatie nog niet actief participeert, maar wel (enigszins) bewust is van haar omgeving. Een klein deel van de organisatie zal (bewust) sociale media monitoren om invloeden van buiten te volgen. Dit zijn dus organisaties die wel enig bewustzijn hebben van de potentie van sociale media en verkennende activiteiten ontplooien om in latere fase een eParticipatiestrategie te gaan bepalen.
  • Fase 2 is de experimentele fase waarin een organisatie de eerste eParticipatie initiatieven opzet, om zo ervaring op te doen met de kansen en impact van sociale media. Dit kan zijn door actief te worden in bestaande community-omgevingen of door zelf een initiatief te lanceren. In de organisatie is er meestal geen specifiek beleid en zullen initiatieven vaak bottom-up en op ad-hoc basis starten – veelal vanuit een concrete behoefte van een organisatieonderdeel of project.
  • Fase 3 is de consolidatiefase waarin een organisatie eParticipatie structureler oppakt en vormgeeft. Er zijn meerdere initiatieven die worden samengenomen, er is meer commitment bij het management en er wordt gewerkt aan een visie, beleid en processen. Ook worden keuzes gemaakt in o.a. tools en communicatie zodat er meer lijn komt in de participatie van de organisatie. Er ontstaat een structurele dialoog die met duidelijke organisatiedoelstellingen voor ogen wordt gevoerd, en de organisatie is hierin proactief. Er is op het gebied van participatie een strategie die steeds meer tot uiting komt in de dagelijkse praktijk en gericht is op een duurzame dialoog. Voor organisaties die in fase 3 willen staan is eParticipatie een belangrijke (meer-)waarde die goed geborgd moet worden in de organisatie.
  • Fase 4 is de strategische fase en gaat hierin nog een stap verder. Voor organisaties in deze fase is eParticipatie zelfs een kernwaarde geworden. Een belangrijk deel van de (of zelfs de hele) organisatie is doordrongen van de noodzaak van een relevante, continue en duurzame dialoog en samenwerking. eParticipatie is een essentieel onderdeel van het DNA van de organisatie geworden. De dialoog met klanten, burgers of partners, maar ook intern in de organisatie is in deze fase cruciaal om de organisatiedoelstellingen te kunnen halen.

Naast fase 1 t/m 4 is er strikt genomen nog een 0-fase voor organisaties die niet weten wat eParticipatie is of zich er bewust niet mee bezighouden, bijvoorbeeld omdat het niet past bij het type organisatie of organisatiedoelstellingen. In het artikel van volgende week volgt een verdere verdieping van het maturiteitsmodel.

Dit artikel maakt deel uit van de reeks ‘Bepaal je co-creatie of eParticipatiestrategie‘. Het beschrijft het eerste deel van een model dat in ontwikkeling is en in dit onderzoek fijngeslepen wordt aan de hand van een reeks praktijkcases in 3 sectoren: corporate, overheid en onderwijs. Wij nodigen je daarom uit om online te participeren en gezamenlijk oplossingen te creëren voor dit vraagstuk, en ons feedback te geven op de bruikbaarheid van het model.

Arnout de VriesArnout de Vries heeft een achtergrond in industrial design engineering en werkt momenteel bij TNO als senior consultant en onderzoeker op het gebied van human-centred design en innovatie management.

Meer over deze auteur: profiel, website

Martijn StaalMartijn Staal is Online Strateeg bij Oogst (voorheen Search Factory).

Meer over deze auteur: profiel, website, weblog linkedin

  1. Fia Sanders van fiasanders.nl op 2 september 2010 om 14:26 uur

    Een beetje aanhakend op de discussie bij het vorige artikel, is er eigenlijk wel een wezenlijk verschil tussen e-participatie en participatie zonder e? Ik heb het idee dat het (voor de overheid in ieder geval) meer van hetzelfde is maar wel met communicatiemiddelen die meer mogelijkheden bieden dan voorheen. Hoe zien jullie dat? En wat ik ook vermoed is dat alle e-mogelijkheden overheden dwingen om meer met participatie te doen. Bovendien wordt slechte (non-) participatie sneller afgestraft.

  2. Arnout de Vries
    Arnout de Vries van tno.nl op 2 september 2010 om 16:52 uur

    Hoi Fia,

    Er zijn zeker veel overeenkomsten tussen participatiestrategieen en e-participatie. Bij co-creatie worden online en offline varianten ook vaak hand in hand gebruikt. Er zijn echter ook zeer belangrijke verschillen met potentieel grote consequenties. Online zijn alle activiteiten transparant en niet vluchtig, maar blijvend. Bovendien kan online veel grootschaliger en is het uiteraard plaats-en tijdonafhankelijk.
    Het model gebruiken wij in de praktijk ook om te adviseren op e-participatie, waarbij het vaak breder op participatie ingaat, namelijk fysieke co-creatie sessies of andere vormen van offline participatie.
    Je tweede punt klopt ook: beloftes doen in participatie, betekent ze waarmaken, en veel van de beloftes kunnen niet enkel online ingevuld worden en zal dus ook meer offline participatie betekenen.

  3. Fia Sanders van fiasanders.nl op 2 september 2010 om 17:26 uur

    Ik geloof dat we eigenlijk hetzelfde vinden. Aan het wezen van participatie verandert de e niks. Maar doordat we andere middelen hebben (met meer transparantie, massaliteit etc.), gaan we er wel anders mee om. De sociale media brengen ons bovendien een andere cultuur en daardoor is participatie steeds meer een must, al dan niet in de e-vorm.
    Ik vond jullie artikel trouwens vooral interessant omdat het me deed realiseren dat de gemeente waar ik werkte nog maar net in fase 1 zat en het dus onmogelijk was om daar met 7-mijlslaarzen fase 3 te bereiken. Ben ik weer gerust, heb ik het toch goed gedaan als freelancer. Ik heb daar vooral wat tips en ideeen laten vallen, veel verder kwam ik niet. Ben wel benieuwd of ze ondertussen in fase 2 zitten :-)
    Ik kijk uit naar jullie volgende artikel.

  4. Marketsolutions van marketsolutions.nl op 3 september 2010 om 12:39 uur

    [...] bron: Frankwatching Share and Enjoy: [...]

Schrijf een reactie


Opmaak uitschakelen