De kloof tussen wetenschap en publiek: het belang van communicatie
Wat hebben Robert Dijkgraaf, Wim Voermans, Beatrice de Graaf en Heleen de Coninck met elkaar gemeen? Als je tv kijkt. dan heb je een van deze mensen misschien wel een keer gezien in een (actualiteiten) programma om duiding te geven of iets uit te leggen. Al deze vier personen zijn vooraanstaande wetenschappers en verschijnen met enige regelmaat op tv. Waarom doen ze dat?
Omdat ze gevraagd worden natuurlijk, maar ook omdat communicatie belangrijk is voor de wetenschap. Wat heb je aan al dat onderzoek als niemand er iets van weet?
In dit artikel ga ik kijken of het moeilijk is voor een wetenschapper om voor een compleet ander publiek te staan. Moet je alles uitleggen, of moet je als wetenschapper gewoon dingen weglaten die niet relevant zijn? Welk vakgebied is het moeilijkst om over te communiceren? Is (wetenschaps)communicatie eigenlijk een onderwerp tijdens de studie en waarom geven wetenschappers vaak een antwoord met een nuance?
Voor mijn 200e artikel op Frankwatching wilde ik een bijzonder artikel schrijven. Maar, wat is dan bijzonder? De afgelopen jaren heb ik heel wat artikelen geschreven. Over van alles en nog wat, maar met name over wat ik interessant vind.
Niet alleen hier op FW, maar ook voor een aantal andere websites, zoals Scientias, Computable, MT, Intogadets enzovoort. In al die tijd zijn de allerleukste artikelen die ik kon schrijven, artikelen geweest over de wetenschap.
Schrijven voor of schrijven over wetenschap, zeker wanneer er een interview aan ten grondslag ligt met een hoogleraar of onderzoeker, is een bijzondere ervaring.
Het leuke eraan is dat het een vakgebied is waar je weinig over of van weet. Op basis van een interview, gesprek of een wetenschappelijk paper probeer je er dan iets van te maken. Iets wat voor een leek hopelijk te begrijpen is.
Communiceren is belangrijk
Communicatie is ook voor de wetenschap enorm belangrijk. Het is niet voor niets dat bijvoorbeeld in Europese subsidieprojecten, bijvoorbeeld in het Horizon Europe programma, Communicatie, Disseminatie en Exploitatie (CDE) verplicht is als een onderdeel van je projectvoorstel. Hoe beter het CDE plan is, des te beter worden je kansen om als voorstel te worden geaccepteerd.
De projecten met de hoogste score maken de meeste kans en er worden heel veel voorstellen ingediend. Soms is er maar één project dat wordt toegewezen, soms zijn het er ook meerdere projecten die gefund worden, maar altijd de projecten met de hoogste score. Het is niet genoeg om briljant te zijn, het moet ook zo zijn dat de wereld ervan te horen krijgt.
Wetenschappers moeten dus communiceren, niet alleen met andere wetenschappers, maar ook met andere mensen zoals het grote publiek, politici en beleidsmakers en het bedrijfsleven. Allemaal stakeholders waarmee gecommuniceerd moet (of kan) worden.
Maar vinden wetenschappers het leuk? Is het makkelijk om iets uit te leggen in bewbewoordingen,dat bijvoorbeeld een leek het begrijpt? Wordt er neergekeken dit soort communicatie als een vorm van “dumbing down“?
Kortom, een hele hoop vragen en wie zou ik dan beter kunnen interviewen over wetenschapscommunicatie dan Ionica Smeets, journalist / columnist voor de Volkskrant en hoogleraar Wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Leiden.
De volgorde van de functies die ze heeft, heb ik opzettelijk zo gekozen. Ionica is bekend is van haar wekelijkse column in de Volkskrant, diverse boeken over onder andere wiskunde en wetenschap. In het verleden schreef ze ook het blog Wiskundemeisjes (samen met Jeanine Daems).
Begin juni heb ik 1,5 uur met haar gesproken, gewoon aan haar eettafel met een kopje thee. Het onderwerp was wetenschapscommunicatie en het belang daarvan voor de wetenschap, maar ook hoe leuk het is om over wetenschap te schrijven.
Journalist, kettingbreuken en hoogleraar
Ionica is, denk ik, zoals ze op de foto overkomt: een heel normaal mens. De foto hierboven laat Ionica zien in haar woonkamer met de kat die ook bij ons gesprek aanwezig was, toen liggend op de stoel bij het raam.
Ik noem haar functies opzettelijk in deze volgorde, omdat Ionica bekend is van haar column in de Volkskrant, iets wat ze al sinds 2009 doet. Natuurlijk is ze ook hoogleraar Wetenschapscommunicatie maar toen ze voor haar promotieonderzoek (naar kettingbreuken, hier wat meer uitleg) een sollicitatiegesprek voerde en de commissie vroeg of ze wetenschapper wilde worden of journalist, antwoordde ze “journalist”.
Alles is natuurlijk wel goed gekomen: ze is gepromoveerd op het onderzoek “On continued fraction algorithms” en uiteindelijk hoogleraar geworden in een heel andere richting dan de wiskunde.
Dat is niet een heel erg standaard pad, want het is voor de hand liggend dat je in het vakgebied waarin je promoveert op een gegeven moment een aanstelling kan krijgen als hoogleraar. Wiskunde is denk ik voor haar een grote liefde, maar een andere grote liefde is die van de communicatie. Wat onderzoekt Ionica dan? Volgens haar eigen website:
Binnen de wetenschapscommunicatie onderzoekt ze de kloof tussen experts en algemeen publiek. Wat gaat er mis als die groepen met elkaar communiceren? En wat kunnen wetenschappers doen om dit proces te verbeteren?
En dat is ook mijn ervaring: ik heb artikelen geschreven over onderzoek en wetenschap en iets viel me eigenlijk altijd op als ik de vraag stelde of het een goed artikel is aan de wetenschapper in kwestie.
De premotorische cortex
Des te meer kennis je hebt, des te moeilijker het is of lijkt om in begrijpelijke taal voor de leek te schrijven. Het kan zijn dat je aanneemt dat iemand iets wel weet, maar ook dat bepaalde details echt belangrijk zijn, ook voor de leek.
Persoonlijk heb ik meerdere keren meegemaakt dat ik een artikel na het schrijven voorlegde aan een hoogleraar of promovendus. Op mijn vraag of het een goed artikel was, volgde dan vaak een antwoord in de trant van: “Ja, maar…” Een van die artikelen ging over BCI (Brain-Computer Interface) en de rol van de premotorische en motorische cortex.
Aanleiding voor het stuk was een episode van de tv serie House MD, waarbij deze technologie wordt gebruik bij verlamming om door middel van BCI iemand weer te laten communiceren door gedachten.
Ik weet niet meer exact wat de opmerking van de hoogleraar was, maar ik geloof dat ik duidelijker moest maken dat het eerst de premotorische cortex is die hier een rol speelt, die daarna het signaal overgeeft naar de motorische cortex. Het bestaan van deze (en andere cortices) is voor een leek, mijns inziens, minder relevant.
Wat er gebeurt is dat door te denken aan iets, bijvoorbeeld aan het bewegen van je hand kan, je met BCI de beweging mogelijk maken.
Een ander artikel ging over het sequencen van het menselijk genoom door gebruik te maken van de HGVS. Dit is een standaard of referentie genoom wat gebruikt kan worden als basis, waarbij variaties in het genoom makkelijk worden gemapt. Het genoom is eigenlijk 3,2 miljard keer de letter A, C, T of G.
De onderzoeker was op zoek naar kleine variaties, bijvoorbeeld een A in plaats van een G ergens in de keten, zogenaamde SNP (Single Nucleotide Polymorphisms). Die ene letter verschil kan de reden zijn waarom mensen die dit hebben kwetsbaar zijn voor bepaalde ziekten of aandoeningen.
Mijn voorstel voor de titel was “De complexiteit van vier letters”. De onderzoeker was tegen, in de wiskunde is complexiteit iets heel anders. Dat de lezer complexiteit niet verbindt met complexe getallen, maar met een moeilijkheidsgraad was niet relevant. Dit kon echt niet als titel (lees hier het artikel met de titel die het wel is geworden).
Had ik mijn poot stijf moeten houden, dat de titel wel goed is en dat de leek dit echt wel snapt? Volgens Ionica wel. De rest van de wereld denkt echt niet aan complexe getallen bij een dergelijke titel.
Middenweg vinden
Hoewel de promovendus heel veel kennis heeft van zijn onderzoek, is de kennis en ervaring van een journalist wat wel en niet werkt bij een artikel voor een groot publiek net zo relevant. Hij had mijn expertise moeten accepteren. Maar het is en blijft een spel van geven en nemen. Een drijfveer voor de promovendus is mogelijk dat er commentaar van de collega’s komt die mogelijk wel complexiteit zien vanuit de wiskunde.
Je moet dus de middenweg vinden tussen een akkoord van de wetenschapper (feitelijk juist) in combinatie met het kunnen begrijpen door de doelgroep die het gaat lezen. Dat is ook het voordeel van iemand laten schrijven die niet bij het onderwerp betrokken is.
Die persoon heeft niet de kennis en kan het dus ook nooit moeilijker maken. Het enige wat die persoon doen kan, is op basis van bijvoorbeeld een wetenschappelijk paper de vertaalslag maken naar een stuk wat ook voor een leek te begrijpen is. Daar was Ionica ook heel duidelijk in: je hoeft niet altijd alles uit te leggen.
Je hoeft niet alles uit te leggen
Ionica promoveerde aan de Universiteit Leiden op de ergodische eigenschappen van niet-reguliere kettingbreuken. Dit is een dusdanig abstract onderwerp dat weinigen dit begrijpen. Moet het dan haar levensdoel zijn om iedereen deze materie te laten begrijpen?
Nee. Als iemand het wil begrijpen dan kan dat, maar het hoeft niet. Je moet uitleggen tot het niveau dat het stopt met waarde toevoegen. En er zijn vaak andere onderwerpen die belangrijker zijn om over te praten.
Een mooi voorbeeld is AI. We weten wat er mee kan, maar we hoeven niet te weten hoe het exact werkt. Als je dat wil, zou je het onderwerp moeten gaan studeren. We moeten wel weten wat de risico’s en beperkingen zijn. Als je in een auto gaat rijden, hoef je ook niet zelf in staat te zijn om deze te repareren. Je moet wel weten hoe deze start en stopt en dat er brandstof in moet.
Hetzelfde geldt voor het schrijven van een artikel over wetenschap: je moet het op hoofdlijnen kunnen begrijpen en ten tweede ook nog de vertaalslag kunnen maken op het juiste niveau naar de lezer. Als deze dan denkt “mooi, nu heb ik er een beeld bij”, is dat vaak een mooi resultaat.
Het belang van communicatie voor de wetenschap
Een wetenschapper/ de wetenschap heeft drie belangrijke taken:
- Onderwijs;
- Onderzoek;
- Valorisatie.
Het laatste kan je misschien het beste vertalen met het tot waarde halen uit de onderzoeksresultaten en dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een startup zijn in de bèta wetenschappen.
Voor de geesteswetenschappen is dat bijvoorbeeld minder vanzelfsprekend. Maar welk vakgebied je ook beoefent, als wetenschapper zul je je onderzoeksresultaten altijd met anderen moeten delen. Dat kan met de wetenschappelijke gemeenschap, bijvoorbeeld via een scientific paper dat idealiter wordt gepubliceerd in een gerenommeerd tijdschrift en door vakgenoten wordt beoordeeld via peer review.
Maar ook volgens Ionica valt communicatie in brede zin eigenlijk ook onder valorisatie. Een voorbeeld, onderzoek naar eenzaamheid is van belang voor diverse groepen. Beleidsmakers die willen weten wat er aan gedaan kan worden maar ook het publiek die meer wil weten, misschien eenzaam is en wil weten wat zij er aan kunnen doen.
Contested Science
Ik vroeg aan Ionica welke vakgebied in de wetenschap het moeilijkst is om over te communiceren. Ikzelf vind het Quantum vakgebied (. e.g. quantum entanglement) moeilijk, omdat het moeilijk te begrijpen is. Voor Ionica zijn de moeilijkste vakgebieden de z.g. Contested Science.
Daarmee bedoelt ze bijvoorbeeld klimaat en vaccins. Want het wordt heel snel persoonlijk gemaakt en de emoties lopen snel op. Van de wetenschappers (maar ook andere betrokkenen) die tijdens de corona pandemie bij het OMT betrokken waren, weten we dat ze online bedreigd werden.
De wiskunde is, zo zegt Ionica, niet ‘contested science’. ‘Negen plus drie is twaalf, daar zijn weinig dissidente meningen over.’ Bij onderwerpen als klimaat en vaccins ligt dat anders. In de media bestaat soms het idee dat hoor en wederhoor betekent dat je tegenover mening A altijd iemand met mening B moet zetten. Maar daarmee ontstaat niet automatisch een eerlijker of completer beeld van de werkelijkheid.
Soms zitten daar meningen bij die niet kloppen (vaccins veroorzaken autisme). Maar misschien nog wel erger: de media geven een vertekend beeld van wat er speelt. Als 97 experts A vinden en 3 experts denken B, is het dan eerlijk om één iemand die A zegt tegenover één iemand die B bepleit te zetten?
Vertrouwen in de wetenschap
Toch is er vertrouwen in de wetenschap. Onderzoek van het Rathenau instituut wijst uit dat er in Nederland veel vertrouwen is in de wetenschap (7,5 op een schaal van 10). Dit is meer dan andere instituties zoals de rechtspraak, (6.6), kranten, (5.7) enzovoort. De regering (4.3) en de Tweede Kamer (4.8) scoren zelfs onvoldoende.
Maar wel opvallend is dat er een groeiende groep is die hele hoger cijfers geeft (9 of 10) en een groeiende groep die hele lage cijfers geeft (5 of lager). Het is dan weer apart om te zien wat mensen doen met de resultaten/ conclusies van wetenschappelijk onderzoek. Slechts 19% heeft vertrouwen in de journalist die er over schrijft en voor politici is dat slechts 10%.

Enquêtes vertrouwen 2012 (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en Rathenau Instituut) en 2015, 2018, 2021 en 2025 (Rathenau Instituut).
Wat dat betreft is er ook een communicatiekloof tussen de wetenschap en de politiek. Een wetenschapper zal veelal antwoorden geven waarbij een nuance wordt gegeven. Een politicus wil graag een ‘ja’ of ‘nee’. Misschien kan ik een voorbeeld geven van het mechanisme.
Tijdens een conferentie van het COMMIT onderzoeksprogramma werd een PhD kandidaat door een presentator geïnterviewd. Het ging over de studierichting, laten we zeggen dat het Informatie Technologie (IT) is. De presentator vroeg of hij ook vond dat IT de leukste studierichting is.
Het antwoord van de PhD kandidaat was dat hij dat niet kon zeggen, omdat hij alle andere richtingen niet geprobeerd had. Het niet volledig weten van alle aspecten maakt het moeilijk om de vraag te beantwoorden of zorgt ervoor dat er in ieder geval duidelijk wordt gemaakt dat er kanttekeningen zijn.
Deze kanttekeningen zijn belangrijk voor de wetenschapper maar minder voor de politicus. Sommige mensen hadden misschien Ja geantwoord, ook omdat het in zekere zin eigenlijk een wenselijk antwoord is. Wetenschappers geven geen wenselijke antwoorden.
De wetenschap is onafhankelijk, stelt vragen, twijfelt aan de vragen en de gevonden antwoorden en staat open voor de optie dat je het fout is. Op basis van wat we nu weten, is het zo. En daar zit een zwakke plek wat iemand die tegen is kan vragen “Of, kan het zo zijn dat het toch op lange termijn schadelijk is?”.
Het antwoord is dan: “op basis van wat we nu weten niet”. “Maar het kan wel?”. “Ja, het kan wel”. De scepticus ziet dit als: “Kijk ze weten het ook niet!”.
Op de barricades
“De wetenschap mag best op de barricades gaan staan met een bepaalde mate van activisme”, zegt Ionica. Robbert Dijkgraaf werd dat laatst gevraagd en die zei dat hij hoopte dat een wetenschapper die iets ontdekt, bijvoorbeeld dat een stof heel schadelijk is bijvoorbeeld in ons voedsel, zich activistisch opstelt om dit openbaar te maken.
Er is niets tegen een longarts die strijdt voor een rookverbod of een SEH arts die voor een vuurwerk verbod is. Je ziet ook wetenschappers die desinformatie actief bestrijden, bijvoorbeeld op social media.
Sommigen van hen gebruiken wetenschappelijke publicaties om aan te geven dat wat wordt beweerd niet juist is. Ik vroeg aan Ionica of dat mensen overtuigt? Haar antwoord was dat “een groep mensen die twijfelt het kan overhalen, maar met name de groep met een radicale overtuiging zeker niet”.
Deze groep kan een wetenschappelijke publicatie diskwalificeren met de opmerking dat de resultaten gestuurd of gekocht worden door grote bedrijven.
Op TV
Toen Ionica begon met haar werk aan de universiteit van Leiden als hoogleraar wetenschapscommunicatie had ze het idee dat de master studenten die ze opleidde, net zoals zij, allemaal een droom hadden van een leven in de spotlights. Maar dat is niet zo, veel van hen zoeken een baan achter de schermen.
Niet iedereen heeft die behoefte, het is echt persoonlijk volgens haar. En je moet ook niet mensen dwingen om zoiets te doen. Als jij heel goed bent in lesgeven, doe dat dan. Idem voor onderzoekers. En vind je het leuk om op tv te komen, doe dat dan ook als je de kans krijgt. Zolang er maar gecommuniceerd wordt.
Op tv komen als wetenschapper is, ondanks de komst van andere mediaplatformen, nog steeds iets met een groot bereik en impact. Maar het is ook belangrijk om bij jezelf te blijven. Van Erik Scherder is bekend dat hij met enthousiasme presenteert en daardoor een veel gevraagd wetenschapper om in zijn vakgebied uit te leggen.
Ik meen zelf ergens gelezen te hebben dat door de redactie gevraagd werd om wat jolig over te komen, want dat levert goede televisie op. Maar te jolig of populair is ook niet goed, in de ogen van sommigen. Je bent tenslotte een ‘serieuze’ wetenschapper.
Ik vroeg Ionica of zij ook van de redactie de vraag krijgt om ‘jolig’ te zijn. Volgens haar komt dat zeker voor en gaat ze daar voor een gedeelte in mee.
Een voorbeeld wat ze noemde gaat over een serie die ze maakte met Sofie van den Enk waarbij ze op basis van een vraag, bijvoorbeeld ‘hoe word ik rijk’, een wiskundige speurtocht gingen doen naar het antwoord. De rolverdeling zou dan zijn dat Sofie er niet veel van snapte en Ionica wel.
Of het kon dat Sofie in een gouden bikini kon lopen en Ionica gekleed als een Harry Potter meisje. Dat idee, zei ze, is gelukkig nooit door de redactievergadering gekomen. Zouden ze dat ook bij een man hebben gevraagd?
De manier waarop een presentator omgaat met het onderwerp is ook belangrijk. Volgens Ionica moeten we stoppen met een presentator die heel snel al roept dat iets ‘heel moeilijk is’.
Het kan best zo zijn, maar jij zit daar om het te duiden. Van tevoren roepen dat het moeilijk wordt kan als gevolg hebben dat de kijker denkt, dan hoef ik het ook niet te proberen om het te snappen.
Niet iedereen doet dat, onder andere Humberto Tan, Beau en natuurlijk ook Arjan Lubach die zeggen gewoon wanneer ze het niet snappen. En dan kan je het uitleggen.
Henry van Loon heeft daar een mooie sketch over waarin hij doet of het drinken van een glas water al heel moeilijk is. Maar nog beter vind ik deze sketch waarin hij DWDD fileert.
Je bent als wetenschapper te gast, kunt hopelijk je verhaal over de bühne brengen, maar je zit ook samen met andere mensen in de show en het is voorbij voordat je het weet. Ook de snelheid en oppervlakkigheid komen naar voren. Na jouw verhaal staat het volgende onderwerp alweer klaar.
De skills van een wetenschapper
Maar worden wetenschappers voldoende getraind om te communiceren? Dat hangt van de studie af. Er zijn studies waarbij er meer aandacht is voor communicatie in een andere taal dan die van de wetenschap. Politicologie bijvoorbeeld.
Maar het is wel een ambacht. Het schrijven van een nieuwsbericht over je onderzoek, (alhoewel de universiteiten allemaal communicatie specialisten in dienst hebben die daar bij kunnen helpen) maar ook het schrijven van een stuk voor een groter publiek of zelfs op tv verschijnen.
Communicatie wordt vaak gezien als zenden, maar er is ook een andere kant. En dat is ontvangen, oftewel: luisteren. Je wil met mensen praten om te weten of je wel de juiste vragen stelt in je onderzoek.
Om mensen echt erbij te betrekken, om te snappen wat zij belangrijk vinden. Om samen na te denken over de mogelijke gevolgen van onderzoek in de samenleving. Daar wordt wetenschap beter van.
Het zou mooi zijn als er meer aandacht is voor dit onderdeel, communicatie. Niet als 2 studiepunten in een semester, maar structureel.
Want wat je ook doet, altijd is er de noodzaak van communicatie.
