Columns

Webkinderen: relevant onderwijs in tijden van Wikipedia & Google

  • Leestijd: 5 minuten

Er zijn vele namen voor de nieuwe generatie kids, met nog meer duidingen. Generatie Einstein, opgegroeid in gebroken gezinnen en vrije opvoedingen, welbekend met de computer, die deze vooral gebruikt voor sociale interactie zoals chatten, zelf publiceren en sharing. Generatie Y, creatief en intuïtief, geboren in tijden van hoogconjunctuur en dus behoorlijk verwend, op zoek naar verdieping en gemeenschap en wars van presetatiedrift en tomeloze ambitie.

Generatie Z, anti-hedonistisch, conformistisch en realistisch en vooral gericht op settelen. Generatie C, wegwijs in de digitale wereld en daardoor makkelijk in het zelf plaatsen van online content. Generatie Blah! die vooral omschreven kan worden als saaie twintigers, die op hun ouders willen lijken, veel drinken en als slaven van de vrije markt succes belangrijker vinden dan sexy zijn (lees vooral ook: Bas Savenije ‘Maakt Google ons dom?) Hoe dan ook, zonder er een ingewikkelde wiskundesom van te hoeven maken, het feit blijft dat er tegenwoordig hele cohorten kinderen zijn, die met de computer zijn opgegroeid, daardoor zijn getekend en hierdoor op een compleet andere wijze met zaken omgaan dan hun ouders.

Webkinderen & onderwijs

Webkinderen, noemt de Poolse dichter en schrijver Piotr Czerski hen in zijn manifest ‘Wij, kinderen van het netwerk’, dat hij eerder dit jaar in de krant ‘My, dzieci sieci’ publiceerde en nu dankzij een vertaling van Stijn Meurkens in het Nederlands laatst ook in de NRC Next te lezen viel. Webkinderen als generatie, wiens normen en waarden voortvloeien uit de continue online aanwezigheid en die daarom een fundamenteel andere benadering van culturele systemen hebben. Iets wat vaak leidt tot wrijving.  Hoe kijkt deze internetgeneratie dan aan tegen één van de belangrijkste culturele systemen bij de vorming van mensen: educatie?

Cultureel antropoloog Michael Wesch stelt zichzelf precies dezelfde vraag. Hoe kan onderwijs relevant worden gehouden voor kinderen die Wikipedia en Google continu tot hun beschikking kunnen hebben op hun smartphones? Die gewend zijn om grote hoeveelheden informatie door te spitten, continu te multitasken en autoriteit met een (gezonde) dosis argwaan te bekijken? In zijn typische heldere, humoristische stijl heeft hij de resultaten van een onderzoekje naar de visie van hedendaagse studenten op onderwijs in een kort Youtube-filmpje verwerkt.

Van knowledgeable naar knowledge-able

Wat Wesch in een krappe vijf minuten duidelijk maakt, is dat het huidige onderwijssysteem helemaal niet meer toegesneden is op de behoeftes, en belangrijker nog, denkwijzes van studenten. Geen wonder dat steeds meer mensen liever Facebooken tijdens college dan naar die trage docent luisteren, die een uur neemt om iets uit te leggen, dat je binnen een paar minuten online kunt checken. Laat staan dat ze veel geld gaan betalen om een heel boek te kopen over iets waar genoeg websites over bestaan.

Met de invoer van een nieuw medium, zou een geheel nieuwe wijze van kritisch denken gepaard moeten gaan, iets wat Wesch benoemt als ‘from knowledgeable to knowledge-able’. Hij stelt namelijk dat de mogelijkheden tot ‘connect, organize, share, collect, collaborate & publish’ technologisch gezien misschien wel vrij makkelijk zijn, maar dat ze een verandering in attitude vereisen bij studenten die hij zoekt in de verschuiving van ‘meaning-seekers to meaning-makers’. En daarom pleit hij voor een veel dynamischer en horizontaler onderwijssysteem, waarbij de leraar niet zozeer antwoorden biedt, maar de studenten helpt om de juiste vragen te stellen.

Fastfood onderwijs

Ook sir Ken Robinson stelt dat het huidige onderwijssysteem niet meer voldoet in de hedendaagse samenleving. Lieveling van vele TEDders door zijn episch pleidooi in 2006 voor creëren van een onderwijssysteem dat creativiteit voedt in plaats van onderdrukt, vindt Robinson dat we vast zitten in een industrieel model van onderwijs. Dit systeem is gebaseerd op voorgaande eeuwen en heeft als belangrijke kenmerken lineariteit en een grote mate van conformiteit en standarisatie. Robinson noemt dit een fast food model en pleit in onderstaande TEDtalk uit 2010 voor een organische aanpak, ofwel het landbouwmodel:

“We moeten erkennen dat menselijke groei geen mechanisch proces is, maar een organisch iets is. Je kunt de uitkomst van menselijke ontwikkeling niet voorspellen. Alles wat je kunt doen, net als een landbouwer dat doet, is de condities creëren waaronder ze beginnen te groeien”

Onderwijshervormingen worden volgens Robinson dan ook vaak verkeerd aangepakt. Het gaat er volgens hem niet om weer een nieuwe landelijke of internationale beweging te starten (wie herinnert zich niet het beruchte ‘studiehuis’ of ‘het nieuwe leren’), het gaat juist om het creëren van een beweging in educatie, waarbij mensen zelf leren hun oplossingen te ontwikkelen, maar met externe ondersteuning gebaseerd op hun persoonlijk curriculum. Alleen zo, gelooft Robinson, onderwijzen we onze kinderen voor de toekomst: “Nobody has a clue how the world will look like in 5 years time, but we are educating our children for it.”

Gelukkig zijn er visionaire onderwijzers die het experiment durven aan te gaan. Zo is in Frankrijk een programma opgestart om filosofieonderwijs te geven aan kleuters om ze zo een bepaald bewustzijn bij te brengen en ze vooral aan het denken te zetten. Zoals de documentaire ‘Ce n’est qu’un début’ of in het Nederlands Kleine Filosofen aantoont, worstelen de kleintjes met grote thema’s als de dood, liefde en vrijheid. Alhoewel, worstelen? Het blijkt soms verrassend simpel te zijn: ‘Mijn mama is intelligent, want ze zet de Nutella nooit in de koelkast’, ‘Je bent vrij als je groot bent’, ‘De ziel is iets dat onzichtbaar is en blauw’ en ‘Ik ben groter dan jij, dus daarom heb ik gelijk’. En in de pauze worden alle grote vragen weer lekker losgelaten en ligt de concentratie weer volledig op het kopjeduikelen of het zo snel mogelijk bemachtigen van een skeltertje.

Educatie als brain stretcher

Ook de Amerikaanse basisschoolleraar John Hunter vindt dat onderwijs meer zou moeten gaan om het ontwikkelen van probleemoplos-vaardigheden en een bewustzijn van de wereld. Hij gaat hierin zelfs zover dat hij de huidige wereldproblematiek voorlegt aan zijn jonge pupillen in een spelvorm (gamification): de ‘World Peace Game’. Zoals de NRCnext het kort en bondig uitlegt: “De World Peace Game is een bord van ruim een meter in lengte, breedte en hoogte. Er zijn vier niveau’s: van onder naar boven water, aarde, atmosfeer en heelal. Op de aarde bevinden zich vier wereldmachten, sommige rijk en sommige arm, elk met een leerling uit de klas als politiek leider. Die kiest vervolgens zelf zijn regering. En dan zijn er nog de wereldproblemen: 50 in totaal, nauw aan elkaar verwant omdat de oplossing voor het ene probleem negatieve gevolgen kan hebben voor het andere.”

Werkt het?

In de woorden van Hunter is het hele spel ‘so thrilling, that they can’t do without it, but so challenging, that they almost can’t do it.’ En werkt het? In de documentaire World Peace and other 4th-Grade Achievements, die de bijzondere onderwijsinsteek van Hunter schetst, zie je de 9-jarigen vol enthousiasme oorlog met elkaar voeren, watercrisissen bestrijden en vooral veel leren om verder te denken dan je eigen vertrekpunt: “Mr. Hunter is a brain stretcher,” merkt een van de kinderen treffend op.

Wie weet waar deze jonge generatie webkinderen terecht komt? Als ze leren om de mogelijkheden en vooral verantwoordelijkheden van het internet op een productieve wijze te gebruiken door actief na te denken, dit te delen met de wereld en hun anti-autoritaire houding aanwenden om zelf oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, in plaats van te wachten tot de geijkte instituten dat doen, dan “zou dat ons wel eens kunnen redden”, aldus Hunter.